Het was de eerste theatervoorstelling waarbij we weer naast elkaar mochten zitten: de Lichte Gedichtendag in Middelburg, zaterdagavond 29 januari 2022. Met Theo Danes, Wietske Loebis, Frank van Pamelen, Katinka Polderman, Raymond van de Ven, Peter Knipmeijer, Johan Hoogeboom en Jan J. Pieterse. Erik van Muiswinkel was helaas ziek, maar wat was het geweldig om Ivo de Wijs in het echt te zien en te horen. Hij nam wat Drs. P. van Van Muiswinkel over en ergens kwam ook Willem Wilmink ter sprake. De zaal gierde van het lachen, gewoon om rijmende gedichtjes. Om magistraal rijmende gedichtjes, gemeen en grappig. En ik herinnerde me het plezier dat ik had met mijn kindergedichtenbundels, met de titel Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is, naar K. Schippers. Liedjes, observaties, in heldere taal.

Laatst vond ik in de bieb een prachtig boek, Ik droomde dat ik wakker was, een schrijversprentenboek over Willem Wilmink van Bert Bakker. Een eerbetoon met stukken van o.a. Herman van Veen, Frits Barend en zoon Michiel Wilmink. Die schrijft dat zijn vader kapotte spijkerbroeken maakte met een nietmachine. Hij deed graag uitjes met zijn jongens, maar weigerde dingen te doen die hij zelf niet leuk vond. Hij bedacht het uitstapje ‘cultuur met patat’, eerst naar een museum en dan lekker eten in het restaurant – het nuttige met het aangename verenigen.

Wilmink was een verlegen man met ‘kindergrote ogen’. Hij herinnert zich dat hij op de lagere school bang was om de letter o te klein te schrijven, want zijn juf had hem gezegd dat de letters dan dichtslibden en blind werden. Dat woorden levende wezens zijn waar je goed voor moet zorgen heeft hem nooit meer losgelaten.

Net zoals in zijn schriftelijke cursus dichten zit ook dit boek vol met mooie schrijftips: “creativiteit is niet zoiets als een kraan open zetten, het is juist een kwestie van de kraan op tijd dichtdraaien”. Wilmink schreef de liedjes en teksten voor De Film van Ome Willem, de obsessie van mijn kindertijd (de Geitenbreiers, het wel of niet lusten van een broodje poep). En hij schreef het ontroerende Ben Ali Libi voor Joost Prinsen, die mooie herinneringen deelt: “het hele leven was literatuur en hij verdeelde dat slechts in mooi en niet mooi. Ingewikkelder criteria heeft hij zijn hele leven lang afgewezen.”

Wilmink was een omnivoor, van “smartlap tot Shelley, van Bloem tot bakerrijm”. Hij had als cafétrucje om kathedralen na te tekenen, vertelt Herman Finkers. “Mochten we een plaatsnaam noemen – Arles, Reims, Florence, en dan ging hij de voorgevel tekenen. Het klopte altijd. Maar hij was geen katholiek, dacht hij. Want het oordeel zou milder zijn voor de ongelovigen en de twijfelaars.”

Arthur Japin kreeg les van hem. “Hij dwong ons aandacht te hebben voor de vorm. Pas als die deugde zou de boodschap die we wilden verwoorden over- en aankomen. Al die sonetten, haiku’s en acrostichons, ik maakte ze in eerste plaats voor hem”.

Op kamers

Hier zit ik dan. Het wordt al laat.
Er spelen kinderen in de straat,
ik weet niet wie die kinderen zijn,
ik speelde vroeger ook zo fijn.
Het bed dat hier is neergezet,
is smaller dan mijn eigen bed
een merel fluit een avondlied,
maar ’t is dezelfde merel niet
als thuis.

Mijn ruime kamer met pension
ligt niet zo ver van een station:
soms hoor ik een bekend geluid,
dan rijdt er een trein de voorstad uit
en al die mensen in die trein,
wat zullen die gelukkig zijn:
die komen echt weer op verhaal,
die zijn vannacht nog allemaal
weer thuis.

Willem Wilmink
Enschede, 25 oktober 1936 – aldaar, 2 augustus 2003