Because I could not stop for Death –
He kindly stopped for me –
The Carriage held but just Ourselves –
And Immortality.
(Emily Dickinson)

Narratief van de bijna-dood ervaring / mijn bijna-dood ervaring.

Godzijdank begint de voorzitter van de Ontmoetingsdag met een grappige anekdote. Een waargebeurd verhaal, over Gerard Reve. Een journalist vroeg hem ooit: “Meneer Reve, bent u gestoord?” Waarop Reve antwoordde: “Nee hoor, de boodschappen komen heel helder door”.

Terugkomen met een boodschap. Dat is het thema van de halfjaarlijkse ontmoetingsdag, georganiseerd door Stichting Netwerk NDE. Die afkorting staat voor nabij-de-dood ervaring. Vroeger heette dat een bijna-dood ervaring, maar de nieuwe afkorting sluit fraaier aan bij het Engelse ‘Near Death Experience’. NDE. Precies ook de letters van ‘end’.
     De ontmoetingsdag vind plaats in Huize De Oost. Een verzorgingstehuis van marmer en glas, prachtig gelegen in de bossen van Bilthoven. Toen ik door de gangen liep zag ik overal vitrines met parafernalia, die opvallend vaak getooid waren met een passertje en een winkelhaak. Huize De Oost blijkt een rusthuis voor Vrijmetselaars te zijn en ik noteer dat feitje snel in mijn notitieblok. Want ik ben hier ten dele als undercover reporter.

     Soms doe ik dat: dan stuur ik mezelf op een missie, op reportage. Om mezelf te oefenen in non-fictie, als tegenwicht voor mijn gebruikelijke navelstaarproza. Dan probeer ik gonzo-stijl een belevenis te verschrijven. Zoals gonzo-grondlegger Hunter S. Thompson, die het startsein miste van de Mint motorrace omdat hij nog een extra drankje deed in de perstent. Of zoals David Foster Wallace, die een reportage mocht schrijven over een superdeluxe cruise. En dat ervoer als een varend vagevuur voor de neurotisch ingestelde mens. Omdat hij binnen een paar dagen paranoia raakte door de bizarre superkrachten van de schoonmakers, die zowel telepathisch begaafd als onzichtbaar leken te zijn.

“Als ik iets te snel over mijn linkerschouder kijk dan zie ik nog steeds het wiel van die vrachtwagen”. De stem van de man bibbert even maar toch vertelt hij door. Zoveel pijn, die ineens weg was, als bij toverslag. En dat hij dat merkwaardig vond. Omdat hij zijn bloedende lichaam tussen de wielen kon zien, als van een afstandje.
     Deze ochtend in Huize De Oost nemen vier mensen plaats achter de microfoon om te vertellen over hun persoonlijke ervaring. Al na een kwartier ben ik halverwege mijn pakje zakdoekjes. Het is niet zozeer verdriet, maar eerder het loskomen van iets dat lang heeft vast gezeten. Iets dat letterlijk en figuurlijk vloeibaar wordt. Tot vanochtend had ik namelijk nog nooit iemand anders ontmoet met een vergelijkbaar verhaal. En nu zit ik hier in een zonnig zaaltje met bijna honderd stralende, opgewekte mensen. ‘Ervaarders’, zoals ze zichzelf noemen. Veel kwieke senioren in vrolijke kleuren. Die gezamenlijk grinniken als een spreker het woord ‘tunnelvisie’ gebruikt. Ze troosten me liefdevol als ze mijn rode neus en ogen zien. En ik voel me een beetje een bedrieger. Een midgetgolfmeisje tussen de pro-golfers. Want ik zou het ook hebben meegemaakt, die bijna-dood ervaring. Al durf ik niet te zeggen of ik echt dichtbij de dood ben geweest. Want het is maar een verhaal, geen eigen ervaring. Schijnbaar beleefd als kind. Ik heb er geen concrete herinneringen aan. En ik was het jarenlang vergeten.

Mijn verhaal heeft geen spannend plot en telt slechts een paar zinnetjes. Midden in de nacht stond ik plotseling in een heuvellandschap, waar overal gele bloemen bloeiden. Het licht was zacht, zilverig en warm. Ik voelde me licht als een veertje, hoefde niet meer ratelend adem te halen. En toen lag ik plotseling weer terug in het ziekenhuisbed. Tussen de metalen spijlen, onder de stijve witte lakens. En ik vertelde mijn uitstapje aan mijn moeder, die naast me had gewaakt in het ziekenhuis vanwege mijn zware astmatische conditie. Ik was verdrietig dat ik niet in die prachtige bloementuin mocht blijven. Opa had me vriendelijk maar beslist teruggestuurd. Ik heb alleen geen enkele van mijn opa’s ooit ontmoet. Ze waren bij mijn geboorte al overleden.

Mijn NDE is een korte, vage anekdote. Zonder flatline of alarmerend piepende apparatuur. Slaperig verteld door mijn vierjarige ik. “Bijna vijf!”, zou mijn eigen dochtertje verontwaardigd zeggen. Zij heeft dezelfde leeftijd als ik destijds en misschien is dat de reden waarom ik plotseling weer bezig ben met dit verhaal. Sowieso zit ik een stuk losser in mijn vel na twee zwangerschappen, twee bevallingen. Je mag het ook best een identiteitscrisis noemen. Ineens moet je moeder zijn, terwijl je zelf nog aan het klimrek wil hangen. Verantwoordelijk voor een ander leven.
Geboorte en dood krijgen een specifiek tijdstip mee: uur, minuut, seconde. Bij de geboorte van mijn kinderen vond ik dat raar. Het specifieke moment van de wereld betreden is vrij vaag. En pijnlijk, als dat hoofdje eenmaal staat. De grenzen van ruimte en tijd worden letterlijk even opgerekt. En na het vaststellen van de starttijd begint het tellen weer bij nul. Nul kaarsjes op de taart. Terwijl die gloednieuwe bekende toch al maandenlang ronddobberde in je binnenzee.
      Als copywriter maakte ik laatst een brochure voor een rouwfotografe. Zij deed ook geboortefotografie, maar ze wilde die twee specialisaties niet op één website of in één folder hebben. Dat zou mensen maar afschrikken of voor verwarring zorgen. Toch vond ik het ergens ook heel logisch, omdat die momenten zoveel met elkaar te maken hebben. De scheidslijn tussen leven en dood is even flinterdun. Als een vlies, een membraan, een sluier. Al te menselijk, rauw en echt. Ongepolijst, alle conventies vallen weg. Je moet een transitie doormaken, transformeren. Een poort door maar ook zelf die poort zijn. Samen met de pijn. Tegenstand opgeven en daardoor leven geven, aan de ene of aan de andere kant van de cirkel. De binnenste of de buitenste ring. Alfa en Omega, Yin en Yang. De wereldslang die in haar eigen staart bijt.

Geboorte en dood, opkomst en ondergang. Het is het oerverhaal van de literatuur: de inhoud van een mensenleven. En als schrijver speel je voor God. Je schept een wereld, fabriceert personages en stort ze daarna in de grootste ellende die je kunt bedenken. Want zonder conflict heb je geen verhaal. En verhalen vertellen, dat doen we al sinds mensenheugenis. Als vermaak, maar ook als zingeving. We vertellen verhalen om te delen dat we menselijk zijn. Margaret Atwood zegt het zelfs sterker: verhalen zijn wat ons menselijk maakt. Maar vanuit wetenschappelijk, evolutionair standpunt is verhalen vertellen redelijk zinloos. Het is tijd die je ook had kunnen gebruiken om voedsel te zoeken, je voort te planten of een tegenstander neer te knuppelen. Die dingen te doen waartoe we volgens biologen hier op aarde zijn. Een NDE heeft geen duidelijk aanwijsbaar nut in een zuiver rationele wereld. Het is een evolutionair mysterie. Zoals ook het vrouwelijk orgasme dat heel lang was.

“Drama is anticipation mingled with uncertainty” is de stelling van de Schotse schrijver en theatercriticus William Archer. Maar de mensen vandaag om me heen zijn heel stellig. Ze weten precies waar hun weg naar toe leidt en dat is een hele mooie plek. Ook al hebben ze de meest verschrikkelijke ziektes of ongelukken meegemaakt, hun ogen stralen. Want aan de andere kant voelden ze zich welkom, opgenomen in een oneindig licht van liefde en kennis. Ze begrepen ineens alles. Maar moesten toch weer terug.
     Het is een wonderbaarlijke trip, met wonderlijke details. De reis van de ziel, opvallend vergelijkbaar met het narratief van de heldenreis. Gebaseerd op de inzichten van Jung, populair gemaakt door literatuurprofessor Joseph Campbell. Hij noemde de heldenreis ook wel de monomythe, dat ene verhaal dat de gehele mensheid verbindt. Het verhaal van de held met de duizend gezichten, dwars door tijden en culturen heen. Van de Baghavad Gita tot aan Star Wars. Over de heroïsche tocht naar de onderwereld, waaruit je gelouterd en krachtiger terugkomt. Ook al duurt dat een tijdje, om daar aan te wennen. Omdat je de zon- en de schaduwkant moet laten samengaan in je nieuwe leven.

Veel ervaarders hebben heimwee naar die perfecte wereld aan de andere kant. Of raken eenzaam, door onbegrip van hun omgeving. De eerste spreker op de ontmoetingsdag was zes jaar, toen het gebeurde. Toen hij verdronk. Hij had zijn vader wanhopig in de golven zien graaien, omdat hij er een eindje boven vloog. Hij voelde het immense verdriet van zijn vader en had hem graag aanwijzingen willen geven, om te helpen: “je moet rechts zoeken pa, niet daar links!”. Maar tegelijkertijd wilde hij ook niet gered worden, want hij voelde zich fantastisch. Niet bang. Toen hij bijkwam op het strand en probeerde te vertellen wat hij had meegemaakt, hadden zijn ouders gezegd dat hij maar moest zwijgen. En hij mocht ook niet vertellen dat hij plotseling dingen wist. Zijn moeder vond het niet zo fijn dat hij spontaan onthullingen deed over mensen in dezelfde rij van de supermarkt. “De wereld hoeft niet te denken dat je gek bent”.
     En het is ook geen handige mededeling. “Ik was bijna dood. Ik ben door een tunnel geweest. En aan de andere kant was het heel erg mooi, dus wees maar niet bang om te sterven”. Veel mensen doen dan een stapje achteruit. Beginnen spontaan over een ander onderwerp. Wasmachines, politiek, het weer. Alles behalve de dood. Ik denk dat hetzelfde mechanisme in werking treedt als mensen zeggen dat ze ongeneeslijk ziek zijn, of het eigenlijk niet meer zien zitten. Die baan, die relatie, het leven. En dan het ongemak van de ander, de glazige uitdrukking. Mensen horen het liever niet. Een vrouw vertelt dat ze een NDE beleefde tijdens een keizersnede. Ze zag zichzelf liggen, zag haar kind geboren worden. Toen ze de gynaecoloog vertelde wat ze had meegemaakt stond de medicus op en verliet de kamer. Ze heeft hem nooit meer teruggezien.
     Een oude dame in een bloemetjeshemd moet vooral hard lachen. “Mijn man dacht ik schizofreen zou worden. Ik bleef namelijk maar kwekken over de dood. En dat ik Jezus had ontmoet. En engelen. Later zag ik op oude familiefoto’s een overleden oom die precies op Jezus leek. Zachte ogen, een prachtige baard. Dus waarschijnlijk was hij het, daar. Maar ik heb dus jarenlang geloofd dat ik speciaal was. Omdat ik bij de hemelpoort door Jezus werd onthaald”.

Massa’s wetenschappers en sceptici proberen verbeten te bewijzen dat een NDE niet kan bestaan. Het zouden de laatste stuiptrekkingen van je hersenen zijn. Het ene hersengebiedje kan je laten geloven dat je buiten je lichaam staat, als je het port met elektrische schokken. Als je weer in een ander deel zou prikken dan start je spontaan de levensfilm op. Die film en daarna de doodservaring zouden sowieso een samenraapsel zijn van herinneringen en dingen die je zag op TV en in films. Maar driejarige kinderen vertellen ook al over hun reis. Dan staat er nog niet zoveel op die harde schijf. En in medische verslagen is officieel vastgelegd dat mensen waarnemingen hebben gedaan van zaken die ze nooit zelf hadden kunnen zien. Zien op zichzelf is al problematisch, als het gaat om blinde patiënten of mensen met afgeplakte ogen. En de details zijn heel precies. Het exacte uiterlijk van een botzaag. Een tennisschoen in de dakgoot. Een stoffig muntje bovenop een ongebruikt apparaat.

David Foster Wallace begreep ook niet hoe het kon. Zijn hut op het cruiseschip werd elke dag op mysterieuze wijze schoongemaakt. En hij ging het uittesten. Als hij zomaar een ommetje maakte in de ochtend dan werd zijn kamer niet schoongemaakt. Maar ging hij weg voor een ontbijtje, dan kwam hij terug in een schone kamer. Als hij halverwege de ontbijtzaal terug sprintte stond er nooit een schoonmaakkarretje voor zijn hut. Hij bleef afwisselend lang en kort weg, op onverwachtse momenten,  om de schoonmakers te kunnen betrappen. Maar het lukte nooit. De schoonmaakcrew leek onzichtbaar én helderziend, omdat ze leken te weten hoe lang hij weg zou blijven. Zelfs beter dan dat hij dat zelf wist.
    De ervaarders begrijpen het ook niet. Maar ze weten wel zeker dat ze het niet eens zijn met al die wetenschappers en sceptici die hun ervaring afdoen als een chemisch proces. “Wij zijn ons brein, páh!”, spuugt een vrouw met grijs haar. Die tot nu toe heel stil is geweest tijdens de middagsessie, een kringgesprek. “Ik lag weken in coma, alle hersenschorsfuncties waren uitgevallen. Toch heb ik al die tijd over de gangen van de afdeling gezworven. Met in mijn hand een lichtgevend koord, dat uit mijn navel kwam. Ik durfde niet door de klapdeurtjes heen, daar waar het felle licht scheen. Ik bleef liever luisteren naar de gesprekken van de zusters tijdens de koffiepauzes”.

Al die verhalen, van tientallen patiënten die Intensive Care arts Sam Parnia had gereanimeerd. Ze intrigeerden hem zo dat hij een uitgebreid onderzoek startte. Hij ziet de dood als een proces en claimt dat hij door koeling en zuurstoftoevoer veel meer mensen terug kan halen uit de dood. Zelfs tot 24 uur na het stoppen van hun hart. Op aanwijzen van Dr. Parnia worden er overal in de wereld hoge planken gemonteerd, in operatiekamers. Daarop liggen foto’s die je alleen vanaf grote hoogte kunt zien. Als je bij het plafond zweeft bijvoorbeeld. Uit je lichaam. Om hard bewijs te vinden voor het daadwerkelijk bestaan van bewustzijn, ook als er geen lichamelijke reflexen meer zijn, de hersenfuncties uitgevallen.

Parnia is niet gelovig. En ik eigenlijk ook niet. Dat maakt mijn NDE tot een merkwaardig cadeau dat ik nooit zelf uitgezocht zou hebben. Een vaas, een schaal, een kamerplant. Maar omdat je het van een dierbare hebt gekregen zet je het ding toch maar in huis. En daar zit je dan. Met je hemelvaart, je terugkeer, je dode opa. Maar je gelooft niet in de hemel en ook niet in een God de Vader.
     Ik kom uit West-Brabant. Ben gedoopt, heb mijn communie gedaan, zelfs het vormsel: het sacrament waarbij je de kracht van de Heilige Geest ontvangt om het katholicisme standvastig te kunnen belijden. Ik weet nog dat ik tijdens het vormsel een miljoen vragen stelde aan de pastoor, allerlei feitenvraagjes over de bijbel en over God. Hij vond me overduidelijk irritant maar ik werd toch toegelaten tot de club. Daarna ging ik naar het gymnasium, waar de Duitse juf me een liefde gaf voor Kafka. Ik las als een bezetene, ontdekte Friedrich Nietzsche en meer denkers met hamers. Ik luisterde Scandinavische black metal in kraakpanden en wilde geen hostie meer halen als ik toevallig nog in de kerk was. De kerk vond mij als vrouw inferieur en zondig en dat vond ik zelf volslagen idioot. Ik werd atheïst, stelde dat later bij tot agnost. Maar mijn verhaaltje maakt me plots een bondgenoot. Van een opperwezen. Want een eeuwig paradijselijk leven beloven, dat is het belangrijkste verkoopargument van diverse godsdiensten.

Het is hemels na de dood. Groene heuvels, wiegende bloemen. Daar zie je al je dierbaren weer. Soms zelfs geliefde huisdieren. Ik durf het uit respect voor alle ervaarders eigenlijk niet op te schrijven maar ik doe het toch: als je de verhalen leest in al die bestsellers over de bijna-dood ervaring dan neigen ze vaker wel dan niet naar sentimentaliteit en kitsch. Het is de Earth Song van Michael Jackson. Het is de cover van een typische folder van de Jehova’s Getuigen. Stralende mensen in kleurige gewaden zwaaien naar je, vanuit hun prachtige vallei. Waar het lammetje luiert tussen de poten van de leeuw. In The Meaning of Life van Monty Python is het hiernamaals een pompeus Las Vegas hotel, waar het altijd kerstmis is. Mijn verhaal is dan een beetje als dat verschoten kerstkleedje van je oma, dat je traditiegetrouw toch maar rond de kunstboom drapeert om de standaard te verbergen.
     Ik ben in verlegenheid, door mijn kleine verhaal. Dat echter aansluit bij vele andere verhalen. Uit enquêtes en onderzoeken uit Amerika, Australië en Duitsland is gebleken dat ongeveer 2% van de bevolking een NDE of vergelijkbare ervaring heeft meegemaakt. In Nederland zijn dat honderdduizenden mensen. En dokters lopen er niet meer voor weg, gelukkig. Ziekenhuizen stellen nu protocollen op, wat je moet doen als een patiënt dit vertelt. Want uit onderzoek blijkt ook dat er een zeer hoge kans op depressie ontstaat als mensen hun verhaal niet goed kunnen delen.

Sceptici proberen een NDE te wijten aan fantasie, psychose of zuurstoftekort. Maar de mensen hier hebben heldere, rustige waarnemingen gedaan tijdens een kritiek moment in hun leven. Buiten hun leven, omdat dokters ze dood hebben verklaard. En ze kwamen terug. Veranderd. Met een verhaal. Dat gaf ze de kracht om vaak harde beslissingen te maken. Stoppen met relaties, stoppen met je baan, omdat geld verdienen voor de heb ineens zinloos blijkt.
     En wat doe je na die liefde? Dan ga je mensen helpen. De halve zaal is na hun ervaring psycholoog, therapeut, coach of lichtwerker geworden. En dat doen ze dan heel praktisch. Veel van hen zijn vrijwilliger in een hospice. Omdat ze plots geen angst voor de dood meer hadden en daarmee stervenden kunnen helpen. Ik moet lachen om het vrolijke verhaal van een verpleegster, die ook aan mediteren doet. Ze bood spontaan aan om een hospice-patiënt te helpen, die bang was om te sterven.
     “We zijn samen even opgestegen. Dan wist hij alvast een stukje, van de weg naar boven”. Ze vertelt dat de man kalm ging, met een glimlach.

     Na zo’n mededeling kan een mens niet cynisch zijn. Of hameren op feiten. Of de foto’s van Sam Parnia nu wel of niet gerapporteerd gaan worden maakt eigenlijk weinig uit. Dat die plankjes ophangen, daar gaat het om. Het draait om het vertellen en het delen van een kippenvelverhaal, dat boven ons uitstijgt en tegelijkertijd verbindt. Memento mori, maar dan bevrijdend. Met vleugels.

Hope is the thing with feathers
That perches in the soul
And sings the tune without the words
And never stops at all.
(Emily Dickinson)

Deel mij!