Groteskjes

Groteskjes zijn (zeer) korte verhalen met een zwart en absurd randje. Het is mijn manier om te oefenen met schrijven: korte baanverhalen, waarin ik alles mag uitvergroten en hele dikke planken in het rond mag smijten. Ik probeer ze zo om de paar weken te verversen.

0900-KLAAGVROUW.nl

Dit is geen vrije keuze. Dit is een roeping. Klaagvrouw zijn vergt devotie en compassie. U kunt mij inhuren voor crematies en begrafenissen. Maar denk ook eens aan het uitzwaaien van geliefden, op het vliegveld of perron. Of het achterlaten van de kleine tijdens de eerste schooldag. Mijn tarieven zijn redelijk, mijn rode ogen oprecht. Uien of sprays gebruik ik nooit.

En zo zijn er meer misverstanden over mijn professie. Het openkrassen van de borststreek is bijvoorbeeld niet inbegrepen. Dit vergt nogal wat nazorg. Dure zalfjes, een week herstel waardoor ik alleen telefonische klussen kan aannemen. Bovendien moet ik mijn nagels laten vijlen en extra kosten maken om mijn zwarte gewaad weer schoon te krijgen. Alleen kundige stomerijen krijgen bloedvlekken helemaal weg en die hebben tegenwoordig allemaal een wachtlijst. Verder ben ik volkomen flexibel en zal ik hartstochtelijk janken, krijsen en snikken om uw verlies en/of smart het gewenste cachet te verlenen.

Hoe ik mij voorbereid? Opvallend genoeg niet bij eigen leed. Een mens kan zich dan onmogelijk focussen op techniek. Toen mijn moeder overleed was ik een zwijgend hoopje ellende. Ik kon niet eens een dankwoord uitspreken, laat staan de goden vervloeken. Op dat soort momenten begrijp je ook echt de noodzaak om een professional in te huren.

Trainen doe ik onder het motto ‘wie het kleine niet eert’. Ik stort mij graag op dagelijkse droevigheden rondom huis en tuin. Melk over de datum, een buurjongen met een gat in zijn knie. Vogelpoep op pasgewassen ramen. Ik grijp elk moment aan om me in te leven in de onpeilbare droefenis van het bestaan. Soms begrijpen mensen dat niet. Gisteren wilde ik jammeren bij een arm vogeltje dat uit zijn nest was gevallen – of geduwd, want de wereld is onvoorstelbaar hard. De buren vroegen al na twee uur of het zachter mocht. Maar het gaat juist om het uithoudingsvermogen. De exacte schorre resonantie. Of ik binnen verder wilde gaan, met de ramen gesloten.

Mensen zijn niet meer overtuigd van het nut van een klaagvrouw. Ze ontkennen verlies, verstoppen de dood. Geen wonder dat we zo’n depressief volkje zijn.
Het is een hard bestaan. Merkwaardig, want er is leed genoeg voorhanden. Iedereen komt aan de beurt. Maar vaklui krijgen helaas niet meer het juiste respect. Misschien omdat ze zoveel huilen op TV. Dat stompt af en dat merk ik direct aan het aantal boekingen.
Maar ach. Ik mag niet klagen.


Juffrouw Victoria

Elke avond, vlak voor het slapengaan, nam juffrouw Victoria even de tijd om haar dag te herkauwen. Omdat ze nog maar langzaam vooruit kwam in haar stad en er steeds meer gebreken aan de deur klopten wilde ze alles tweemaal beleven: de meest heldere momenten van de dag, gestolde geuren, brokjes informatie die haar hadden ontroerd en verwonderd. Haar gezichtsvermogen was de laatste jaren niet meer zo goed, maar de andere zintuigen leken daardoor juist op te bloeien. Ze hoorde, rook en proefde haar stad.

Juffrouw Victoria was haar hele leven lang lerares geweest en ze had gedurende de laatste veertig jaar vergeelde schoolschriften als dagboek gebruikt. Elke avond schreef ze in steno alles op wat ze had meegemaakt. Bibberende, verkrampte handen maakten een einde aan haar schrijfsessies. Maar haar nieuwe ritueel, tien minuten werkelijk proeven wat de dag had gebracht, was veel waardevoller gebleken. Voedzamer vooral: mentaal krachtvoer om tevreden te zijn met haar bestaan en toch weer de nacht tegemoet te treden, in de stille hoop op een extra ochtend.

De oude vrouw ging aan de keukentafel zitten. Ogen dicht, concentratie. En dan zachtjes maar vastberaden in haar geheugen wroeten. Voorbij de uitlaatgassen, het frituurvet en het zweet van haastige zakenlui. Want daarachter zat het kalmeringszout van de zee en de vele kleurschakeringen van het water.
Juffrouw Victoria woonde al dertig jaar in deze stad en maakte elke ochtend een rondje langs de haven. De wandelingen waren de laatste vijf jaar twee keer zo lang geworden, hoewel de afstand dezelfde bleef. Rustig liep ze heen en terug langs de kade, de sluizen en de promenade. Ze luisterde naar het opstijgen en het landen van de watervliegtuigen en wist precies wanneer de veerboot zijn scheepshoorn zou laten klinken. Haar horloge lag al vijf jaar in een la. Voor de vorm wond ze het ding nog op.

Doordat ze zo langzaam voort moest schuifelen leek de wereld makkelijker te vangen, op te snuiven, diep te inhaleren. Grote en kleine dingen: de geboende parketvloeren van het museum, de kaneelzuurstok van een kind. Een straatartiest die jongleerde met brandende fakkels.
Het Thaise restaurant, groen van jade en koriander. Scones eten op het terras en lachen met vriendinnen. Juffrouw Victoria proefde het allemaal opnieuw. Thuis, in haar pyjama. Ogen en rolluiken gesloten, met heel af en toe een sirene die door de kieren naar binnen kroop.

Als student was ze bang geweest voor de onverschilligheid van de stad en de geluiden van de straat. Nu waren ze vertrouwd, eigen gemaakt. Ze probeerde zoveel mogelijk facetten van haar stad in zich op te nemen en op te slaan. Voor grijze dagen en eenzame avonden, voor momenten dat ze het herkauwen echt nodig had. Soms kwamen er lange strengen herinneringen los, alsof er een sliert van vergeten belevenissen diep uit de kronkels van haar hersens werd gevist. Het zilt van oude tranen, soms een knapperig stukje sappig, intens geluk.
Dit grazen was troostend, verslavend. Juffrouw Victoria hoopte dat ze zo intens geleefd had dat haar innerlijke reservoir nooit leeg zou raken. Het was haar grootste angst, plotseling van binnen leeg te zijn, kapot, alle herinneringen opgegeten.
Als het krassen van een krijtstompje over een uitgewist schoolbord. Een vingernagel die tevergeefs langs een hol schedeldak schraapt.

De dag was gedaan, tweemaal beleefd. Ze opende haar ogen en dankte haar stad. Ze bedankte haar zintuigen, de benen die haar nog steeds wilden dragen. En de weidsheid van haar neusgaten en de kundigheid van haar rechter wijsvinger.
Graven, grazen.
Een met smaak verorberd leven.

Deel mij!