Welkom!

Liefste lezer!

Mijn naam is Mia Timiaan: ontdekkingsreiziger, meanderthaler, verhalenverteller. Tevens moeke, teksthuurling en toetsenist van brute kitschmetalband Satinoxide.

Ik schrijf korte verhalen, essays en recensies en ben op dit moment bezig aan een roman met de werktitel BRAK.

Voor de gezellige soundtrack vol metaal waar je oren van gaan bloeden  kun je hier terecht. Zelf maken we ook aangename takkeherrie.

Mijn bekendste verhaal tot nu toe is denk ik ‘Hey Joe’, een tragische liefdesgeschiedenis over ontwerper Joe uit Terneuzen. Hij ontwikkelt een succesvolle serie vibrators op basis van de penis van Jimi Hendrix. Excuses, zo werkt mijn hoofd. Eros en Thanatos zijn het olijke duo waar ik veel van mijn verhalen aan opdraag.

“Hij had het afgietsel gevonden toen hij na haar dood haar spullen opruimde. Onderin een koffer vol elpees, plastic sieraden en sjaaltjes die stonken naar wierook. Op de bodem lag een schoenendoos. Jimi, stond met rode letters op het deksel gekalkt. Hij had foto’s verwacht, of cassettebandjes. Maar tussen proppen krantenpapier vond hij een gipsen penis”.

Op deze site probeer ik regelmatig Groteskjes neer te zetten: zeer korte verhalen met een zwart en absurd randje.  En nieuwtjes en blogs: over films, muziek, lezen en schrijven.

I am by nature a dealer in words, and words are the most powerful drug known to humanity.
Rudyard Kipling

Yet she felt an impostor, and already the mask had begun to bite into her face.
J.G. Ballard

Deel mij!

Zak

Zak

“Doe me nog maar zo’n jenevertje, barman. Kom op, wel tot het randje vullen hè? Niet te krenterig. Geven met gulle hand. Als een Goedheiligman, hohoho!”

[bulderlach, gaat over in gerochel].

“Hoorde je dat schatje? Wil jij er ook een van mij?”
De blonde studente die achterin het café zit reageert niet, ze is verdiept in de berichtjes op haar telefoon. Henk wuift naar haar maar ze kijkt niet op. Hij zucht theatraal en richt zich weer tot de barman, die gele plastic schaaltjes vult en op de toog zit. Henk gluurt erin en schuift het schaaltje bruusk terug.

“Mag dat bakkie pepernoten alsjeblieft uit het zicht? Ik heb zo godsgruwelijk veel van die troep moeten eten. Trad je op voor een multinational en dan hadden ze wéér niet aan broodjes gedacht. Moesten we maar weer graaien, in onze eigen zak. Gallisch van alle kaneel. Bruine drab tussen je tanden. En tussen de klussen door een slappe kroket op het benzinestation.
Soms wel zes optredens op een dag. Zes. Het heeft me mijn tanden gekost, al die taai en melkchocola. Puisten van dat vette spul. En jeukende bulten op mijn kin vanwege de baardlijm. Scheren is een hel meneer. Een hel. Nog steeds, na al die jaren. Maar dat valt allemaal in het niet bij de artistieke offers die je moet brengen. Alles voor de kunst hè? De rol van je leven. Vooral toen ik op televisie kwam. En dan ging ik op auditie en oh, wat moesten ze dan lachen. Kijk eens wie daar binnen komt. Zitten we allemaal even recht? Nooit meer een serieuze rol. Terwijl ik als jongeman de meest fantastische had. Othello. King Lear. Ach, schenk er nog maar eentje in. En wat had ik nou net gezegd? Het gulle gebaar. Anders moet je in de zak, mee naar Spanje. Beter weertje in ieder geval dan in dit bekrompen pokkeland. En tenminste heerlijke, vriendelijke, warm-bloe-di-ge mensen.”

[dat laatste bijna spugend richting de studente]

De blonde studente kijkt geërgerd op. Henk ziet het en schraapt zijn keel. Glimlacht minzaam naar de barman, ademt diep in en uit. Schudt zijn schouders los. En zet De Stem op. De donkere, diepe, chocoladebruine stem. Vol volle manen, vol verwachting. Een stem die cadeautjes belooft, een wereld vol van zoetigheid. De stem van iemand die je diepste wensen kent. En ze allemaal kan vervullen. Als je braaf bent. Meisje lief.

Henk wordt Klaas. Henk declameert. De tekst van een willekeurig kinderliedje, simpele zinnen. Kortjakje is het, slepend, gedragen. Zijn stem vult het lege café. Hij controleert of hij al een beetje effect heeft. De blonde studente heeft een frons op haar voorhoofd maar de schuine, wat verlegen glimlach die plots rond haar mond speelt verraadt herkenning. De stem van de dronkelap aan de bar is de stem van haar jeugd. De stem van de man die gunstig gestemd moest worden, met tekeningen en liedjes. Middelpunt van spannende dromen, gretige verlangens. Van nachtelijke ritjes over de daken van de stad. En zij in haar bedje, hopend, bevend. Zou hij al komen?

Henk is Klaas. Ze herkent zijn pretoogjes, warme gevoelens stromen in haar hart. Zachte paardenvoetjes in haar binnenste maken plaats voor wild geraas. De studente glimlacht gulzig naar de oude man. Henk grijnst terug. Geeft een knipoog aan de verbaasde barman en wendt zich weer tot de blondine.

“Zo, meisje. Jij wil vast wel even op mijn schoot komen zitten.”

Deel mij!

De IJsberenparade

We mochten heel voorzichtig wennen aan de aanwezigheid van de ijsberen. Dat was slim bedacht van ze. Eerst scharrelden ze alleen maar aan de randen van het dorp, in de avond en de nacht, rondom de afvalbakken van de buitenwijken. Af en toe scheurden ze een zak kapot en dan zag je in het ochtendlicht je zorgvuldig opgeborgen vuilnis over heel de straat verspreid liggen. We ruimden het wel weer op, samen, het was niet zoveel moeite. Kleine grapjes naar elkaar: “hee buurman, van al die magnetronmaaltijden raak je verstopt hoor! Leer nou eens echt koken man!”.

“De IJsberenparade” verder lezen

Deel mij!

Klop klop, het is The Babadook!

“You look tired Amelia, are you OK?”
“Nothing that five years of sleep wouldn’t fix.”

We leven mee met een personage zodra we herkenning voelen. En jeminee, wat herken ik dit. Je bent moeder en je bent de overtreffende trap van moe. Maar je gaat door, want dat is de enige optie. Je kunt niet in een hoekje gaan zitten huilen, de dekens over je hoofd trekken, hard roepen om je mama. Want jij bent nu de mama.

Mama-horror: dat is The Babadook (2014) van de Australische regisseusse Jennifer Kent, die ook het script schreef. Het is een independent feminist horrormovie (woohoo!), maar werkt ook prima voor alle niet-feministische horrorfans die gewoon een goede, enge film willen zien. Over weduwe Amelia, die worstelt met haar leven als alleenstaande ouder. Ze is doodmoe van haar werk en haar zevenjarige zoontje Samuel is een probleemgeval op school. Hij is bloedirritant, neemt stiekem levensgevaarlijke zelfgemaakte wapens mee naar de klas. En hij wil nooit meer alleen slapen, vanwege diverse angsten voor monsters. Eigenlijk wil hij mama de hele tijd vasthouden. Die hartstochtelijke, bijna wurgende omhelzingen van de kleine jongen: dit soort details geven deze psychologische horrorfilm een extra lading.

Amelia geeft en slooft en zorgt. Voor haar kind en voor de oudjes in het bejaardentehuis waar ze werkt. Een wurgend bestaan, met nauwelijks lucht en ontspanning. Haar leven is net zo grijs als haar huis: de art direction heeft vakkundig alle kleur en warmte uit de locaties gesloopt. Gelukkig zit er wel een subtiele vorm van zwarte humor in de film, er zit nog een sprankeltje verzet in Amelia. Bijvoorbeeld als ze bingo speelt met de apathische oudjes, en niemand reageert op de nummertjes. “Five billion? Anyone?”

Amelia begluurt haar alleenstaande oude buurvrouw met Alzheimer, die toch een leuker leven dan haar lijkt te hebben. Zij lacht tenminste, Amelia eigenlijk nooit meer. Een flirterige collega geeft haar een paar uurtjes vrij zodat ze wat kan ontspannen. Ze eet een ijsje (Leef Groots!) en loert naar een vrijend stelletje. Tsja, ze is ook al zes jaar weduwe. Als mama voor het eerst sinds tijden weer alleen in bed ligt en aan seks denkt, dan duikt de griezel Babadook op. Een zwarte schoorsteenvegerfiguur met enge klauwen. Hij komt uit een fraai pop-up sprookjesboek, dat Samuel ineens in de boekenkast vindt. Oh wacht, was mama niet ooit kinderboekenschrijfster? Een droom die ze op moest geven omdat ze de kost moet verdienen?

spoilers!

Het is een raar ding met schrijven: als je het leven niet omzet tot fictie, als je niet schrijft terwijl je dat toch wil en zo je uitlaatklep bewust laat dichtslibben, dan gaat het leven ineens jouw bestaan tot fictie omvormen. Je sloft rond in halfslaap, de scheidingen tussen de werelden worden dun en je onderbewustzijn klopt plots op de deur.

Klop-klop-klop.
Ba-ba-dook.
Da-da-book.

Is het de dode papa die komt spoken? Papa, die stierf in een verkeersongeluk, terwijl Amelia aan het bevallen was? Seks en dood zijn fijn Freudiaans met elkaar verbonden (net zoals geboorte en dood, alweer die tussenwerelden met hele dunne wandjes). Even lijkt The Babadook het platgetreden pad te kiezen van Het Kind Is Kwaadaardig: Samuel, die de Babadook channelt, in een plotselinge brute uitbarsting:

“You WILL be afraid when he eats your insides”.

De mooie dubbele laag van The Babadook zit hem in de wanhoop van de moeder. Ouders zullen dit herkennen: je kind zegt ineens verschrikkelijke dingen. Ik haat je! Was je maar dood! Er zit nog geen filtertje op, en het geweten ontwikkelt zich pas rond zes jaar. En jij als ouder moet daar maar rustig op reageren. Op het gekrijs, het gebonk, de chaos. Is het een demon? Of toch gewoon je kind? Zoals Amelia in de auto terugkrijst naar haar gillende kind:

“Why can’t you just be normal?”

Of is de abnormale misschien… mama? Het mamamonster dat er geen zin meer in heeft, niet meer mee doet. Het grote schrikbeeld van de maatschappij: de mama die er mee kapt. Hysterische vrouwen in kapotte huizen, het is een dankbaar onderwerp in horrorfilms. Ik moest denken aan de nerveuze Nell in The Haunting van Shirley Jackson: precies zo’n sloofje, waar iedereen misbruikt van maakt, en die door allerlei geheimen in het mysterieuze Hill House terecht komt. Ook een plek waar het kraakt, klopt en krijst. Nell is eerst bang maar vindt ook kracht in het huis. Ze bloeit op door die wonderbaarlijke plek vol geheimen en dynamiek, moet slim en vindingrijk zijn om te overleven. Ze voelt dat ze leeft. En dat ze nodig is, een rol te spelen heeft in het grotere verhaal.

babadook

Amelia voelt niks meer. Ze wil alleen maar slapen. Rust. Even niet meer zorgen en bang zijn om haar kind, dat steeds hysterischer lijkt te doen na de vondst van het Babadook-boek. Pillen dan maar. “We hebben al weken niet meer geslapen, dokter”.
De huisarts schrijft met tegenzin een recept uit. Wie moet de pillen, mama of het kind? In een andere mooie zwart-komische scene, als de kinderbescherming aan de deur komt:

“How are you, Samuel?”
“I’m a bit tired from the drugs Mommy gave me”.

Amelia verwaarloost, hangt voor de tv, waar bizarre oude kinderfilmpjes op verschijnen. Drogeert haar kind voor een beetje rust, is boos in plaats van coöperatief. Speelt het spelletje niet meer mee, in een slimme scene waarin ze geen zin meer heeft in het gezeik van alle huisvrouwen op een feestje, en boos de waarheid zegt. Mama laat alle lieflijkheid en begrip en beleefdheid varen.

Schaduwen, gaten in de muren, flitsen van verschijningen. En uiteraard is er een kelder. Altijd maar weer die kelder, waar we alle shit lekker wegstoppen. Maar in de nacht, in bed, komt alles terug. Onder de dekens kruipen en niet zien, niet weten, is enger dan boven de dekens zijn. Want je hoort nog steeds het griezelige gekraak en gesteun. Je moet de confrontatie aangaan.

The more you deny the stronger I get.
Come see what’s underneath.

Het staat er letterlijk, in het boek. Ze moet haar schaduwen confronteren, een mooi lesje Jungiaanse psychologie: als je sterke emoties wegstopt manifesteren ze zich op een andere manier, in monsterlijke vorm, als Babadook.

Bij de vraag “what do you want?” stopt het ineens. Het blijkt de enige echte essentiële vraag. Door de dreiging van de Babadook ziet mama in dat haar zoon niet het monstertje is, maar dat zijzelf dat is, als ze doorgaat op de oude weg: met het ontkennen van haar verdriet en haar liefde. Het proces is pijnlijk en moeilijk en monsterlijk, maar wel essentieel. Amelia moet veranderen en een moederbeest worden, grommend en brullend en sterk. Ze moet een beslissing maken en die uitspreken, uitschreeuwen: rot op monster, rot op uit ons leven!

En eind goed al goed, de Babadook is weg! Oh nee, gelukkig toch niet. De Babadook woont in de kelder en krijgt wormen in een schaaltje gevoerd. En dat vind ik eigenlijk veel mooier dan een poef, alles is goed-einde: het trauma gaat namelijk nooit echt weg uit het leven van Amelia en Sam, papa is dood en blijft dood. Maar het trauma heeft nu een functioneel plekje in het systeem gekregen.

Met een klein budget en een paar acteurs maakte Jennifer Kent een hele interessante horrorfilm. Amelia is geen screamqueen, geen slachtoffer, maar een ware heldin die de confrontatie aangaat. Met het surrealistische, soms monsterlijke, maar altijd machtige moederschap.

Deel mij!

Orange Is The New Black

Een snikkend meisje in de klas.
“Juf?”
“Ja?”
“Ze pesten me. Ze zeggen dat ik een stinktaco ben, dat ik op moet donderen naar mijn eigen land”.

“Tja. Ze hebben gelijk Thereza”.
“Juf, wat? Nee!”
“Nieuw management, kind. Nieuwe regels. Je moet er zelf wat aan doen. Zakelijk, proactief. Niet van dat zwakke afhankelijke”.
Juf klopt het meisje op de schouder, pakt daarna een tissue en veegt haar hand af.
“Lieve Thereza, je moet je zelfwaarde een boost geven. Of beter nog, je nettowaarde. Heb je je bijvoorbeeld al in je kruis laten grijpen door Quarterback Joe of Donnie, de Homecoming King? Je weet wel, achter het muurtje.”

Thereza deinst achteruit.
“Wat? Natuurlijk niet. Ik heb toch verkering met Hussein, die zo prachtig viool kan spelen? Ik hou van hem!”
“Dat lijkt me geen slimme keus kindje. Zwart. Muziek. Sowieso dingen die we af gaan schaffen hier””.
“Dingen?? Afschaffen?? Maar Hussein is Captain van het Debating Team! Hij heeft onze schoolmoestuin bedacht, het bijenproject!”

Juf glimlacht verontschuldigend.
“Helaas helaas. Allemaal tijdverprutsers. Winst moeten we maken. Heb je de graafmachines niet gehoord? We gaan de schooltuin even goed doorspitten, misschien zit er nog een drupje olie in. Het geld kunnen we goed gebruiken, nieuwe witte schooluniformen hebben we nodig om fijn in te marcheren. En vanochtend heeft het schoolbestuur besloten om het volledige kunstprogramma in te ruilen voor meer sport. We snakken naar kracht. En victorie!”

“Maar Juf, al die dingen die we van u hebben geleerd! Compassie! Delen! Cultuur! En het milieu! De aarde gaat eraan!”
“Ach, jij hebt het toch ook liever warm dan koud in de winter? Kindje, maak je niet zo druk. Het komt vast goed onder het nieuwe management. Het is nog niet verloren voor jou. Eet gewoon wat minder van dat rare gekruide eten, je blijft het toch altijd een beetje ruiken. Eet sowieso minder, niet meer van dat onaantrekkelijke uitgedijde. Gewoon wat meer fris en fruitig, stift die lippen elke dag. Oranje staat vast leuk bij jouw teint. Voor jezelf zorgen, kindje. Dat moeten we immers allemaal. En ik zag Quarterback Joe net voorbij lopen in de gang, de training is klaar. Als je rent kun je hem nog net treffen. Ren maar, kindje. Ren”.

Deel mij!

Americana

If you’re going to be crazy, you have to get paid for it or else you’re going to be locked up.

Hunter S. Thompson

Americana

Toen ik uit het vliegtuig stapte in Salt Lake City en op CNN zag dat Hunter S. Thompson zelfmoord had gepleegd, werd ik ter plekke herboren als personage. Mia Timiaan, onbeduidende Nederlandse freelancer, was plotseling een Schrijver. Op een epische zoektocht naar nieuwe verhalen, pompeuze hoofdletters en lelijke souvenirs.
Het was een droef bericht, zelfmoord. Maar het gaf ook Hoop: je eigen weg bepalen, vrijheid tot het bittere eind. Toen Thompson zichzelf door zijn hoofd schoot dacht zijn familie in de andere kamer dat hij een boek op de grond liet vallen. Daar moest ik voorzichtig om glimlachen.

Ik kocht een pocket van Fear and Loathing in Las Vegas, vroeg tevergeefs een Mormoon om koffie, huurde een benzineslurpende cabriolet en reed de andere kant op. Niet naar Vegas, maar naar Yellowstone. Want elke schrijver is ook onderzoeker, en mijn vakgebied is sociologie. Ik wilde me volledig onderdompelen in de toeristische natuur en waar kun je die beter analyseren dan in Yellowstone? Waar elk jaar meer dan twee miljoen mensen rondrijden om ongerepte oernatuur te zien. Mensen die alleen hun auto uitkomen om te eten. Natuurbehoud via massatoerisme, je moet het de Amerikanen nageven. Ik had vijf dagen Yellowstone gepland. Een enorme luxe aangezien de gemiddelde toerist drie uur uittrekt voor de bijna negenduizend vierkante kilometer van het park.

Yellowstone is één grote caldera. Een woord dat ook prima geschikt zou zijn voor een peperige cocktail. De ondergrondse supervulkaan onder het park meet 65 kilometer en kan elk moment ontploffen. Dus ik gaf flink gas. Onderweg wilde ik drie dingen doen: in een motel slapen. Een supermarkt bezoeken. Maar eerst koffie.
Mormonen houden niet van koffie, want dat staat gelijk aan drugs en porno. Ik geef ze groot gelijk, want toen ik Utah verliet en Idaho binnenreed werd mijn aandacht op de weg afgeleid door honderden bizarre koffiezaakjes. In de vorm van een oranje pion, een grote koffiepot, een Afrikaanse hut met rieten dak. De mooiste waren gewone houten cabines, maar dan gesitueerd naast de meest krankzinnige Americana. Een Eiffeltoren van ijsstokjes. Een metershoge olifant gemaakt van nummerborden. Een groot gat in de grond. De architect van deze parafernalia runde meestal ook de koffieshop en gaf je naast bodemloze slappe koffie ook een bodemloze slappe geschiedenisles over zijn creatie.
Fantastische kwartiertjes bracht ik zo door, met aan het eind standaard een gulle gift in de collectebus. Want zo werkt Amerika: als je geld verdient aan je obsessie dan ben je iemand. Geen maaivelden vol stiekeme fluisteraars hier, maar luidruchtige dromers met grote gebaren. Het land dat vluchters eert. Dat fantasten niet opknoopt, maar opkoopt en vervolgens trots tentoonstelt achter de tralies van de markt.

Op driekwart van de route naar Yellowstone besloot ik te overnachten in een motel. Dat viel helaas wat tegen. Ik had er meer van verwacht. Of minder, om precies te zijn. In films zijn het altijd troosteloze oorden waar je elk moment een lijk kan ontdekken. Maar het Sundown Hotel was eigenlijk best aardig: schoon, pastelkleurig, ruim. Helaas geen vibrerend bed of zwembad zonder water. Ook geen pick-uptrucks die rond middernacht langzaam voorbij je raam rijden.
Supermarkten waren daarentegen precies zoals ik me had voorgesteld. Ik moest huilen van ontroering bij het zien van diepgevroren microwave-breakfastpizza. Graag had ik wat dozen meegenomen als souvenir, maar ik vermoedde dat ze zouden lekken in mijn koffer. In plaats daarvan koos ik diverse potjes pillen en tubes vloeibare kaas.

Met Kyuss op de radio stuurde ik de cabriolet het park binnen. De Rangers hadden geruststellende hoeden. Een vrouwelijke Ranger adviseerde me om nog eens te oefenen met het linnen dak, mocht er plotseling een wild dier dichtbij komen. Ze had gelijk. Een open auto was misschien niet zo handig in een wildpark met beren, wolven en bizons. Maar zo kon ik optimaal de zwaveldampen ruiken en snel uit de auto springen bij toeristische stops. En die waren er genoeg. Spiritusblauw kokend water, pruttelende modderpotten, versteende bomen. Moeder Natuur, losgeslagen.
Mijn Europese geduld, verworven door uren te moeten wachten in restaurants, kwam nu van pas. Ik stopte bij een willekeurige toeristische attractie, pakte mijn notitieblok en observeerde de toeristen. Ze bleven meestal niet langer dan vier minuten, maakten dezelfde foto en droegen zakken etenswaren met zich mee. Want staren naar een pelikaan of een kudde bizons is leuker met pinda’s, broodjes en frisdrank. Toen er plotseling een zwarte beer langs de weg liep was het circus compleet. Ik zag volwassen mannen uit rijdende auto’s springen, statief in de aanslag. Kinderen wilden allemaal met de beer op de foto. Moeders werden hysterisch, van angst of van blijdschap of gewoon allebei.

’s Middags verdwenen alle toeristen om te gaan eten. Ik greep dat moment aan om een wandeling te maken en was elke keer alleen op het pad. Op de derde dag kwam ik bij een meertje, waar een enorme buffel naast lag. Ik voelde me innig dankbaar en verbonden met het Al. Voorzichtig liep ik langs de buffel. We hadden even oogcontact, maar hij bleef rustig liggen. Toen ik aan het eind van de wandeling weer bij het meertje kwam lag de buffel nog steeds op dezelfde plek. En de volgende dag ook. Hij was niet van plastic. Het was een echt beest, dat simpelweg besloten had om elke dag op dezelfde plek te gaan liggen. Systematisch als een ambtenaar.

De airco in de auto maakte mijn handen steeds droger. Ze veranderden in papier. Halverwege de dag stopte ik in een koffietent en las mijn notities door. Woorden werden daden: wat als? Zou het niet mooi zijn wanneer? En dan daden weer in woorden omzetten. Dat is reizen. En schrijven. Ik voelde mezelf transformeren tot literatuur, op weg naar het eindpunt van mijn tocht in Yellowstone: de ouwe trouwe, Old Faithful.

Het parkeerterrein was monumentaal. Maar eenmaal op het terrein bleken de her en der spuitende geisers minder indrukwekkend dan de zuchtende en steunende toeristen die rondhingen bij het stille gat dat Old Faithful was. Ze staarden naar de klokken die overal ophingen en leken onthand. Ik observeerde een gezin. Vader, moeder, twee jongens. Vader zuchtte. Moeder steunde. De jongens zeurden dat ze ijs wilden en chips en t-shirts. Vader schreeuwde dat het hier al duur genoeg was. Het duurde nog een half uur voor Old Faithful uitbarstte. De druk van het wachten scheurde het gezin langzaam uiteen.

Op een bordje naast het pad stond ‘alleen personeel’. Verbodsbordjes zijn een uitdaging voor hen die lezen wat er niet staat. Ik ging dus van de plastic boardwalk af en volgde een klein slingerend schelpenpad, weg van Old Faithful. Het pad slingerde tussen de dennenbomen door, naar een kleine houten cabine. Ik opende de deur en zag een mannetje in een blauwe overall bij een groot wiel, dat aangesloten zat op een ingewikkeld buizensysteem. Hij had een oranje baseballpet op zijn hoofd en knikte me vriendelijk toe. Met grote kracht draaide hij aan het wiel. De buizen sisten en rammelden.

‘U mag hier niet komen, ma’am’, zei hij. ‘Maar ach, we zijn in het Land of the Free, nietwaar?’
Ik knikte en keek hoe zijn spieren rolden terwijl hij het wiel in bedwang hield. Indrukwekkend voor zo’n oude man.
‘Mag ik vragen wat u aan het doen bent?’, vroeg ik.
Hij draaide zich om en kneep zijn ogen samen.
‘Kunt u een geheim bewaren?’
Ik mimede dat ik met een sleuteltje mijn mond afsloot, en vervolgens dat sleuteltje veilig inslikte. Dat snapte hij niet. Dus legde ik mijn hand op mijn hart. Dat begreep hij direct.
‘Ik doe al 30 jaar het onderhoud voor Old Faithful. Vroeger kon je de klok gelijk zetten op een eruptie. Netjes één keer per uur, ik hoefde alleen maar de paden te harken en het afval te verwijderen na de show. Maar met de komst van alle giftshops en cafetaria’s is het management anders gaan denken. Nu draag ik een walkietalkie bij me.’
Hij haalde het ding uit zijn zak en zwaaide ermee.
‘Als de uuropbrengst van de winkels tegenvalt dan sturen ze mij om aan dit wiel te draaien. En dan barst Ouwe Trouwe niet na een uur uit, maar na anderhalf uur. De tijdsbordjes worden aangepast en de wachtende toeristen kopen nog een ijsje of een t-shirt. Als de opbrengst weer volgens schema is dan zet ik de druk er weer op.’
Hij grijnsde, draaide nog wat aan het wiel en keek op zijn horloge.
‘Als u nog een plekje wilt veroveren moet u nu gaan. De show begint over exact tien minuten.’

Ik schudde zijn hand, liep terug naar de tribunes en zocht naar het gezinnetje van zo-even. De transformatie die ze hadden ondergaan was fantastisch. Moeder filmde hoe vader en zijn twee zoons in een schaduwrijk naaldbomenbos zaten. Ze waren aan het bouwen. Met takken en blikjes hadden ze samen een metershoge toren gemaakt. Toen Old Faithful uitbarstte keken ze glimlachend op. Het spuitende water ontlokte één kreet uit duizenden kelen. Drie minuten, vier minuten. Toen was het voorbij. Precies lang genoeg. We hadden weer honger en zin in koffie. Vader pakte de camera over van moeder en filmde zijn gezin, trots bij hun toren. Ik ging terug naar mijn auto, naar mijn notitieboekje. Voor de laatste keer even kijken bij mijn bizon. En dan weer verder, op reis.

“I was not proud of what I had learned but I never doubted that it was worth knowing.”
Hunter S. Thompson, The Rum Diary

Hunter S. Thompson cartoon by Curt Livingston

Deel mij!

Kindervreugd

Kindervreugd

Ik had de klok toch stilgezet het tikken
verstoorde mijn concentratie
het witten, polijsten,
onderbroken door tochtige kieren en
bladderende vernislagen.

Ik blijf het afval sorteren maar de zakken
stapelen zich tegen de gevel op.
Kraaien pikken het plastic open
en gaan lachend aan de haal met wat ik
als onwenselijk had geclassificeerd.

Uitstulpingen, knoesten,
het geeft niet dat dat armpje kapot is schat.
Ik vraag me af wat de correcte manier is
hoe ik diep van binnen voelen moet
terwijl ik met eieren jongleer.

Witte uitlopers graven ongegeneerd
door de fundering heen. Onder is boven
maar buiten moet buiten blijven
vertel ik de doornstruik op de drempel
en de stemmen in de regenton.

Samen zingen we nog een keer
de alleroudste zeemansliedjes
Om het loeien van de storm te overstemmen.

Ik brei een nieuwe navelstreng,
spindel spinrag tot verhalen
klad in steno op oneven dagen
teentjes, tien. Herhaal, herhaal.

Ik bak hartenkoekjes die nog kloppen.
Eet ze, neem ze, nu ze warm zijn.
Hoe lang dat duurt dat weet ik niet.
Ik had die klok toch stilgezet.

Deel mij!

But flying.

Zwagerman-het vijfde seizoen

Eén boek, tientallen aantekeningen en ezelsoren: oh ja, dit moet ik lezen, deze film moet ik kijken. Ik sprokkel nieuwe pareltjes bij elkaar met Het Vijfde Seizoen, heerlijke essays over literatuur en kunst. Vandaag het afscheid van de schrijver.

Dag Joost Zwagerman. Bedankt voor al die tips en alle mooie verhalen. Over de arme Edie Sedgwick die vermalen werd door The Factory van Andy Warhol. Een hilarisch interview in derde persoon met Norman Mailer. Het monument voor een verloren vader, over Martin en Kingsley Amis. Een parade van al die creatievelingen die koketteren met geestesziekte: “Van oudsher hebben kunstenaars en schrijvers zichzelf en elkaar geballoteerd op de al dan niet latente aanwezigheid van wat de dichter Michael Drayton in de zestiende eeuw ‘that fine madness’ noemde”.

En dan flink slikken bij essays over zelfmoord als handelswaar. Met zinnen als “van doodsverlangen kun je uitstekend slapstick maken”. Of een simpele eindconstatering die in dit nieuwe licht ineens diep triest is: “Linda Marchiano-Lovelace-Borman is drieënvijftig jaar geworden”. Bedankt Joost. En veel sterkte voor familie en vrienden.

Hroas!

Hroas betekent trots in het Zeeuws. Samen met Theo Raats vertegenwoordig ik de provincie Zeeland, in het mooie uitdeelboek van de campagne Nederland Leest! Uitverkozen door grootmeester A.L. Snijders, van het Zeer Korte Verhaal. Wow.

Heel goed dat voor deze jubileumeditie van Nederland Leest het korte verhaal centraal staat, in mijn ogen de mooiste en spannendste literaire vorm. Vaak draaien ze om één alles veranderend moment. Scharnierpunten van het menselijk bestaan. Het zal wat lastig discussiëren zijn, zoveel totaal verschillende verhalen. Maar het idee om samen met heel Nederland één boek te lezen, dat gratis weggeven wordt in de bibliotheek, is sowieso briljant. Aanraders van mij wat betreft korte verhalen: Maartje Wortel, A.H.J. Dautzenberg, Thijs de Boer en Annelies Verbeke. En uiteraard de Amerikaanse Godfathers en Godmothers: Shirley Jackson, Amy Hempel, Stephen King, Margaret Atwood, Ray Bradbury, Lydia Davis, Raymond Carver. Plus de absolute eredivisie: Poe. Checkov. Kafka. Dahl.

Die laatste is absoluut de reden dat ik schrijf. Als klein meisje lag ik vaak in het ziekenhuis en daar plukte ik van het leeskarretje een boek genaamd Matilda. Daarna heb ik in ijltempo alles van Dahl verslonden. Toen de kinderboeken op waren ontdekte ik de kostschoolhorror van Boy en vervolgens de sinistere verhalen voor volwassenen. Over een bevroren lamsbout. De mama van Adolf. Een bedrijfje dat pakken slaag verkoopt. De snobistische wijnverzamelaar en zijn trouwe butler. Bijna alle verhalen hadden slimme wendingen en een dikke grijns, sommige keihard (Pig!), andere ontroerend ondanks alle ellende (The boy who talked to animals). Dat wilde ik ook kunnen: zo inventief en zelfverzekerd de meest bizarre verhalen vertellen. Ik ben het nog steeds aan het leren, maar uitgekozen zijn voor Nederland Leest is voor mij echt een grote eer.

Deel mij!

Mia Timiaan op Zeeland Geboekt

Hoera, er gebeurt weer wat in het Zeeuwse literaire landschap! Sinds begin april zijn alle schrijversbiografieën van LIZ, oftewel Literatuur in Zeeland, ondergebracht op boekenblog Zeeland Geboekt van Jan van Damme, journalist bij de PZC. Dat betekent dat er nu één thuis is voor de Zeeuwse literatuur. Met recensies, achtergrondinformatie, te verschijnen boeken en het rijtje van 50 Zeeuwse schrijvers. Waaronder ik! Ergens tussen Annie M.G. en Hans Warren. Aan de site wordt nog volop gewerkt, maar de bio’s zijn alvast hier te bewonderen. Mooi werk!

 

Deel mij!